Neuropsychologisch onderzoek                                            

In een neuropsychologisch onderzoek (NPO) wordt de relatie tussen de werking van de hersenen en het gedrag (ofwel het functioneren) onderzocht. Hierdoor kunnen mogelijke stoornissen of problemen op het gebied van de uitvoerende (ofwel executieve) functies in kaart worden gebracht. Het begrip ‘executieve functies’ wordt in de neuropsychologie gehanteerd als een paraplu-begrip, waaronder een veelheid van gedragingen en vaardigheden wordt gerubriceerd - over de precieze definitie bestaat in de literatuur geen consensus. U kunt hier denken aan: planning, initiatiefname, regulatie, zelfcontrole, zelf-monitoring en inzicht met betrekking tot zowel doelgericht taakgedrag, emotioneel gedrag als interpersoonlijk gedrag.

Executieve functies maken het mogelijk om gedrag goed te organiseren. Ze zijn nodig voor strategisch denken, om rationele beslissingen te nemen en te kunnen focussen op wat belangrijk is. Wanneer executieve functies verstoord zijn, hebben mensen problemen met doelgericht gedrag. Dit komt onder andere voor bij kinderen, adolescenten en volwassenen met ADHD, autisme, leerproblemen en niet-aangeboren hersenafwijkingen.

Executieve functies zijn te vergelijken met de taken van een dirigent. Executieve functies helpen iemand dingen beginnen én afmaken, stappen onthouden, aandachtig blijven, de uitvoering bewaken, impulsen onderdrukken, doelgericht blijven. Executieve functies stellen iemand in staat effectief en efficiënt te handelen. Executieve-functie-problematiek komt bij kinderen vaak pas aan het licht naarmate het kind ouder wordt en er een steeds groter beroep op deze functies wordt gedaan.

Met behulp van genormeerde tests en vragenlijsten kunnen verschillende aspecten van het executief functioneren worden gemeten, zoals:

  • leren en geheugen (korte- en langetermijngeheugen);
  • aandacht en concentratievermogen (visueel en/of auditief, volgehouden en selectieve aandacht);
  • inhibitie (remming);
  • plannen en organiseren;
  • werktempo en (informatie)verwerkingssnelheid;
  • waarneming (visueel en/of auditief);
  • taal en spraak;
  • ruimtelijk inzicht;
  • visuomotorische integratie en grafomotoriek (teken- en schrijfmotoriek);
  • cognitieve flexibiliteit (switching ofwel aandachtscontrole, het vermogen om de aandacht makkelijk te verdelen tussen het ene en het andere onderwerp);
  • herkennen van emoties.

Wij maken in dit kader bij kinderen en jongeren met name gebruik van de volgende meetinstrumenten: CBCL, TRF, YSR, VvGK, BRIEF, Bourdon-Vos Test, TEA-Ch, WISC-III. Als de onderzoeksresultaten hier aanleiding voor geven wordt het onderzoek uitgebreid middels meer specifieke tests.

AD(H)D-diagnostiek

Het is een misverstand te denken dat er zoiets bestaat als een ‘ADHD-test’. Het eventueel vaststellen van de diagnose ADD/ADHD of autismespectrumstoornis (ASS), ofwel pervasieve ontwikkelingsstoornis (‘pervasief’: doordringend, diepgravend, algemeen verbreid - ‘stoornis die effect heeft op het totale ontwikkelingsverloop en gevolgen voor: sociale relaties, taal-denkontwikkeling, voorstellingsvermogen, ontwikkeling en motoriek, zelfbeeld, gevoelens, fantasie enz.; tot deze stoornissen worden verschillende autistische stoornissen gerekend waaronder rettsyndroom, desintegratiestoornis van de kinderleeftijd en het aspergersyndroom’), gebeurt aan de hand van het gedetailleerd uitvragen van het beloop van verschillende ontwikkelingsgebieden én van de desbetreffende DSM-IV-criteria - in het geval van kinderen of jongeren bij voorkeur met beide ouders samen. Informatie van de leerkracht via een algemene en twee meer specifieke vragenlijsten is in het geval van kinderen of jongeren hier eveneens van groot belang. ADHD is een ‘stoornis’ – het syndroom, een samenhang van meerdere symptomen, verstoort iemands functioneren op een of meerdere gebieden (leren/studeren, werk en/of sociaal functioneren) - waarvan de diagnose primair op basis van gedragskenmerken in het dagelijks leven wordt gesteld. Toch zou het in het geval van kinderen of jongeren vreemd en onjuist zijn de diagnose te stellen zonder het kind of de jongere enigszins te hebben leren kennen en hebben zien werken.

Een (neuro)psychologisch onderzoek kan waardevol zijn om een sterkte/zwakte-analyse van een kind of jongere te maken, doordat de resultaten met die van leeftijdgenoten kunnen worden vergeleken, en om handelingsgerichte adviezen voor de praktijk te kunnen formuleren. Het onderzoek is onmisbaar voor het krijgen van eigen klinische indrukken en observatiegegevens.

Observatiegegevens van ouders/ verzorgers, leerkracht en onderzoeker(s) samen in combinatie met de onderzoeksresultaten garanderen een zo objectief mogelijk afwegingsproces, waarin meerdere verklaringsmogelijkheden van de verschijnselen of symptomen dienen te worden overwogen. Om deze reden mag het onderzoek zich dan ook niet uitsluitend richten op de ADHD-symptomen: de mogelijke aanwezigheid van een of meer andere problematieken (‘comorbiditeit’) kan de schijn van ADHD geven, zonder dat hiervan sprake blijkt.

Er wordt in dit kader onderscheid gemaakt tussen ‘signalering’ en ‘diagnostiek’ ¹):

Signalering is het proces waarbij ouders/verzorgers en leerkrachten bepaalde kenmerken in het gedrag van het kind als opvallend beoordelen en het vermoeden hebben dat deze kenmerken interfereren met de normale cognitieve, sociaal-emotionele en/of didactische ontwikkeling.

Diagnostiek bestaat uit:

► het vaststellen van gedragskenmerken en de mate van disfunctioneren die kunnen passen bij de ADHD-
    diagnose;
► het bepalen of deze kenmerken en dit disfunctioneren afwijken van verschijnselen die passen bij de
    normale ontwikkeling van het kind;
► het bepalen van de mate waarin de kenmerken al dan niet afwijken van de normale reacties van kinderen;
► het uitsluiten van andere aandoeningen die de kenmerken beter kunnen verklaren;
► het systematisch beoordelen van de kenmerken volgens de DSM-classificatie.

Diagnostiek is het proces waarbij de probleemgebieden in het functioneren van het kind in alle nuances worden beschreven en waarbij tevens de ontwikkeling van het kind op veel verschillende deelgebieden uitvoerig in beeld wordt gebracht. Hierbij hoort een inventarisatie van verschillende omgevingsvariabelen die van invloed zijn op het functioneren van het kind.
Diagnostiek is dus niet gericht op het traceren van een bepaald type problematiek, maar het proces is gericht op de volle breedte van de ontwikkeling van het kind en de in de ontwikkeling optredende problemen.

Classificatie vindt plaats wanneer de probleembeschrijving gewogen wordt getoetst aan de formele criteria van de classificatiecategorieën van een classificatiesysteem, bijvoorbeeld de DSM. Hierdoor kan de problematiek geclassificeerd worden in de categorie ADHD of in meerdere categorieën.

Met name inzake de voorgestelde behandeling van ADHD zien we de zogenaamde ‘empirische cyclus’, waarbij diagnostiek aanleiding geeft tot interventie en evaluatie van interventie tot nader onderzoek, terug. Er zijn in de Multidisciplinaire Richtlijn ADHD door de Landelijke Stuurgroep van het Trimbos-instituut de volgende voorlopige stappen-diagrammen weergegeven, waarbij werd geconcludeerd dat behandeling met medicijnen (hier: psychostimulantia) effectief was, alleen psychotherapie niet en een combinatie wel. (De waarde van deze conclusies werd door de auteurs, Klassen e.a., beperkt geacht, gezien de scheve verhouding tussen de verschillende onderzoeken: 21 betroffen onderzoek naar het effect van medicamenteuze behandeling (psychostimulantia), 2 gedragstherapie en 3 de combinatie van medicijnen en psychotherapeutische interventies.)

Er zijn drie diagrammen opgesteld:

► ADHD-stoornis vastgesteld bij kinderen > 6 jr. <klik hier>
► Vermoeden van ADHD bij kinderen < 6 jr. <klik hier>
► Wel ernstige symptomen maar voldoet niet aan criteria ADHD. <klik hier>

Deze diagrammen hebben dezelfde uitgangspunten, namelijk dat eenvoudige psychosociale interventies, zoals psychoeducatie, steun en adviezen aan ouders en leerkrachten als eerste dienen plaats te vinden. Bij een ernstige vorm wordt in elk geval medicatie (psychostimulantia) geadviseerd. Training van ouders en/of leerkrachten wordt geadviseerd bij problemen in respectievelijk het gezin en op school.

¹[Vgl: http://www.ggzrichtlijnen.nl/index.php?pagina=/richtlijn/item/pagina.php&richtlijn_id=29]